vormen (doen ontstaan)

werkwoordprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

Pogingen een coalitie te vormen, mislukten.

We wisten weer waarom we een groepje hadden gevormd.

Dat trauma heeft hem gevormd, het zwijgen heeft hem vermorzeld.

Je begint je een mening te vormen.

Alle gemeenschappelijke goederen vormen samen het gemeenschappelijk vermogen.

Ze vormden zich een beeld van hun biologische ouders.

Ze probeert zich een beeld te vormen van de levens achter de namen.

De basis voor de programmering vormt een breed publiek.

Dit onderzoek vormt de kern van zijn boek.

Een mening wordt gevormd over de eigen verantwoordelijkheid en effectiviteit.

Een goed maatschappelijk debat vormt de basis van de democratie.

Dan moeten we ons natuurlijk wel een mening willen vormen.

,, Ik ben katholiek opgevoed, ben dus gevormd, en ik heb vroeger de eerste en de plechtige communie gedaan.

Ze geeft informatie waarmee je zelf een oordeel kan vormen.

Ook hij vormde geen bedreiging voor de politie.

De Tilburgse commissie probeert zich ook een idee te vormen van de werkwijze en de onderzoekscultuur die mogelijk hebben geleid tot de fraude.

De gebruikers vormen immers geen bedreiging van de openbare orde.

Samen vormden ze de eerste zwarte regering, in 1990.

Zo vormt hij een schakel tussen de vluchtelingen en de vrijwilligers.

Die toets vormt een belemmering voor integratie, schrijven de onderzoekers.

De stroomtekorten vormen inmiddels ook een bedreiging voor de economische groei.

Samen vormen ze al jarenlang een vast duo op de linkerkant.

Verschillende studies tonen aan dat katten geen gevaar vormen voor de biodiversiteit.

Burn-out vormt een reëel gevaar voor de financiële sector.

Lokale bestuurders en bedrijfsleiders vormen vaak samen een verbond.

subject

Wie of wat (...)?

substantief

bacterie

beeld

element

geheel

groep

oudere

verhaal

object

Wie of wat (...) men of wordt (...)?

substantief

aanvulling

bedreiging

beeld

belemmering

blok

coalitie

duo

eenheid

front

geheel

(16 meer)

indirect object

Aan wie of wat, of voor wie of wat (...) men of wordt (...)?

pronomen

je

me

ons

zich

bepaling

Waar, wanneer, hoe, enz. (...) men?

adverbium

academisch

grotendeels

muzikaal

voornamelijk

zodanig

predicatieve aanvulling

adjectief of adverbium

gezamenlijk

samen

tezamen

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.